basaal vruchtbaarheidsonderzoek - huisartsEr zijn in Nederland duidelijke afspraken gemaakt over de rol van de huisarts en de gynaecoloog bij het beleid van verminderde vruchtbaarheid. Deze afspraken gaan zowel over de diagnostiek van het vruchtbaarheidsprobleem als over het (terug) verwijsbeleid tussen huisarts en gynaecoloog. Afhankelijk van de leeftijd van de vrouw en de duur van de kinderwens kan bij normale bevindingen nog een tijd afgewacht worden om het ontstaan van een spontane zwangerschap een kans te geven. Over het algemeen zal er bij paren met een verminderde vruchtbaarheid een basaal vruchtbaarheidsonderzoek worden ingesteld. De volgende onderdelen van het basale onderzoek kunnen door de huisarts worden verricht: vragen voor de vrouwDeze vragen zijn bedoeld om inzicht te krijgen in uw gynaecologische en algemene ziektegeschiedenis. Naast vragen over uw leeftijd, de duur van de kinderwens, eventuele eerdere zwangerschappen of vruchtbaarheidsbehandelingen en over de cyclus, over vroegere infecties of operaties en over uw sexleven, zullen er ook minder voor de hand liggende vragen gesteld kunnen worden. Het gaat hierbij met name over vragen naar kenmerken die kunnen wijzen op een hormoonstoornis. Ook zullen er vragen gesteld worden over uw familie, aangezien erfelijke factoren ook een rol kunnen spelen. Ook kan u vragen verwachten over uw leefgewoontes. vragen voor de manDe belangrijkste vragen zullen gaan over uw algehele gezondheid, vroegere infecties, ongelukken of operaties en of er vruchtbaarheidsproblemen in de familie voorkomen. Ook uw beroep en leefgewoontes worden besproken om aanknopingspunten te vinden voor een eventuele oorzaak van de verminderde vruchtbaarheid. lichamelijk onderzoekBij de vrouw zal een algemeen gynaecologisch onderzoek plaatsvinden. Bij de man kan een algemeen lichamelijk onderzoek plaatsvinden met de nadruk op de voortplantingsorganen, maar dit vindt meestal alleen plaats bij een afwijkende zaaduitslag. basale temperatuurcurveAls een vrouw een zeer regelmatige cyclus heeft, dan is het aannemelijk dat ze halverwege de cyclus haar eisprong heeft. Als u thuis al temperatuurslijsten heeft bijgehouden, dan is het verstandig deze mee te nemen naar de huisarts ter beoordeling. Is dit nog niet gebeurd, dan kan de huisarts vragen om dagelijks de basale lichaamstemperatuur te meten en in kaart te brengen om, met name bij meer onregelmatige cycli, meer duidelijkheid te krijgen over het al dan niet optreden van een eisprong. Het kan nuttig zijn om deze gegevens een maand bij te houden. De huisarts kan hiervoor een speciaal BTC-formulier en instructies meegeven. Een cyclus mag als ovulatoir (met een eisprong) beschouwd worden als er in de tweede helft een temperatuurstijging is van 0,3 graden (of meer) die gedurende minimaal 12 dagen aanhoudt (dit heet een bifasische BTC). Herhaling is alleen te overwegen bij een niet te beoordelen BTC. Naast het controleren of er halverwege een lichte temperatuurstijging is (wat een aanwijzing kan zijn voor een ovulatie) geeft dit in kaart brengen meteen aan hoe lang de cyclus elke maand is. Daarnaast kan het de vrouw meer inzicht bieden in haar vruchtbare periode. Voor het met zekerheid bevestigen van een eisprong zijn andere methodes (zoals echoscopisch onderzoek en hormoonbepalingen) noodzakelijk. SOA-onderzoekOmdat ze wijd verspreid zijn en grote gevolgen kunnen hebben voor de vruchtbaarheid is het zoeken naar en uitsluiten van SOA’s een van de eerste stappen die een arts neemt bij het testen. Het bloed zal daarom ook onderzocht worden op antistoffen tegen chlamydia: de zogenaamde CAT (chlamydia antistof titer) zal worden bepaald. Als deze antistoffen worden aangetroffen betekent dit dat u ooit (in het verleden) in aanraking bent geweest met deze infectie. Als blijkt dat u antistoffen heeft, dan is dit een reden om verder onderzoek te verrichten naar eventuele schade die deze infecties kunnen hebben veroorzaakt aan bijvoorbeeld de eileiders. Ook zal een nog actieve infectie moeten worden uitgesloten. De aanwezigheid van een actieve chlamydia infectie kan in een artsenpraktijk via een eenvoudige procedure worden vastgesteld. Een monster van de baarmoederhalsafscheiding kan de aanwezigheid van de infectie aantonen. Als blijkt dat deze infectie nog actief is, dan zult u beiden medicijnen krijgen om dit te bestrijden. Aangezien deze infectie seksueel wordt overgedragen, moeten beide partners worden behandeld, anders blijven ze elkaar infecteren. Bij mannen kan chlamydia de bijbal (waar zaadcellen worden bewaard) infecteren en de functie ervan verstoren, waardoor de kwaliteit van het sperma wordt aangetast. Deze aandoening, bekend als bijbalontsteking, doet de testikels zwellen tijdens de infectie en kan in sommige gevallen leiden tot steriliteit. Ureaplasma en mycoplasma zijn andere infecties waarop uw arts u kan onderzoeken. Als alternatief kunnen sommige artsen een korte antibioticakuur voorschrijven om een potentiële SOA te behandelen, om zo de onnauwkeurigheid van tests voor de specifieke ziekten te vermijden. zaadonderzoekRoutinematig wordt bij elk paar met een langer bestaand vruchtbaarheidsprobleem een zaadanalyse bij de man verricht. De man krijgt hiervoor aparte instructies mee. Dit onderzoek kan in dit stadium zowel in de eigen praktijk van de huisarts worden verricht als bij een laboratorium, bij voorkeur in de kliniek waar eventueel later naar zal worden verwezen. Ook al zijn er aanwijsbare factoren bij de vrouw gevonden, dan nog is het nuttig om te weten of het zaad een beperkende factor is of niet. Als de semenanalyse geen afwijkingen laat zien, dan kan het onderzoek bij de man beperkt blijven. Worden er wel afwijkingen gevonden, dan zal het onderzoek herhaald worden en zullen er eventueel verdere onderzoeken volgen. post-coïtumtest (PCT)Baarmoederhalsslijm is een afscheiding die wordt geproduceerd in de baarmoederhals van een vrouw. Dit slijm vergemakkelijkt de zaadcellen onderweg naar de bevruchting van een eicel. Slechts tijdens enkele dagen van de menstruatiecyclus kunnen zaadcellen in het baarmoederhalsslijm overleven. Met deze test wordt het baarmoederhalsslijm rondom de tijd van de eisprong beoordeeld. Rond de tijd van de ovulatie moet het slijm dun en waterig zijn. Als dit slijm afwijkend is, kan het echter de zaadcellen juist ook in de vruchtbare fase tegenhouden. Deze samenlevingstest kan inzicht bieden in de reden waarom geen succesvolle bevruchting plaatsvindt. De test wordt soms de Sims- Huhner - test genoemd, naar de artsen die de test hebben uitgevonden. Een juiste timing van deze test is van essentieel belang. De post-coïtumtest (PCT) evalueert niet alleen het baarmoederhalsslijm, maar ook de wisselwerking tussen het sperma en het slijm. Indien op de juiste manier getimed (zoals aangegeven door de arts), geeft de test een heleboel informatie over de productie van het baarmoederhalsslijm van een vrouw, het vermogen van de zaadcellen om te overleven in het baarmoederhalsslijm en de wisselwerking tussen het sperma en het baarmoederhalsslijm. In een ideale situatie heeft het sperma geen moeite om door het baarmoederhalsslijm te bewegen. Het verwijderen van het baarmoederhalsslijm is pijnloos en gebeurt in de praktijk van de arts. Deze test moet worden uitgevoerd rond het moment van de eisprong. Door gebruik te maken van een eendenbek (speculum) wordt twee tot acht uur na de gemeenschap wat baarmoederhalsslijm voorzichtig uit de baarmoederhals opgezogen en beoordeeld op hoeveelheid, consistentie en zuurgraad. Onder de microscoop wordt gekeken naar de hoeveelheid zaadcellen en de beweeglijkheid hiervan. Er bestaat geen overeenstemming over de betekenis van deze test. Deze test wordt dan ook niet in alle klinieken gebruikt. |
|
||
© Copyright 2011 Merck Sharp Dohme Corp., een dochteronderneming van Merck Co., Inc., Whitehouse Station, N.J., U.S.A. |
||