feiten over onvruchtbaarheid
Vruchtbaarheidsstoornissen komen vaak voor: naar schatting krijgt 10 tot 15% van de Nederlandse paren hiermee te maken. Zwanger worden is een kwestie van kans. Bij normaal vruchtbare paren is de maandelijkse kans om zwanger te raken ongeveer 25%. Deze kans neemt af met het stijgen van de leeftijd van de vrouw. Bij paren met een verminderde vruchtbaarheid ligt deze kans per maand lager. Een verminderde vruchtbaarheid wordt in het medisch jargon ”subfertiliteit” genoemd.
Er wordt onderscheid gemaakt tussen paren waar binnen de relatie nog nooit een zwangerschap tot stand is gekomen (zogenaamde “primaire” subfertiliteit) en paren waar al wel eerder een zwangerschap tot stand is gekomen maar waarbij het daarna niet meer is gelukt (“secundaire” subfertiliteit). Onder deze laatste categorie vallen dus zowel paren met kind(eren) als paren met een miskraam in de voorgeschiedenis.
basisfeiten
- Voor vrouwen jonger dan 35 jaar is subfertiliteit gedefinieerd als het meer dan 12 maanden uitblijven van een zwangerschap terwijl de gemeenschap hier wel op gericht is. Voor vrouwen ouder dan 35 geldt een periode van zes maanden.
- Vrouwen met onregelmatige menstruatie, wat kan duiden op problemen met de eisprong, kunnen evaluatie en behandeling overwegen zodra dit probleem bekend is.
- In Nederland komt verminderde vruchtbaarheid voor bij ongeveer 1 op de 6 paren.
- Onvruchtbaarheid is niet geassocieerd met een specifiek ras of etnische afkomst.
- De term onvruchtbaar moet eigenlijk gereserveerd worden voor paren waarbij er geen kans is op het spontaan ontstaan van een zwangerschap.
naar boven
feiten die elk paar moet weten
- Paren met een normale vruchtbaarheid hebben een kans van 85% om binnen een jaar zwanger te worden. Bij ongeveer 1 op de 12 paren duurt dit langer dan 2 jaar.
- Onvruchtbaarheid treft mannen en vrouwen in praktisch gelijke mate. Als vuistregel geldt dat in ongeveer 30% van de gevallen een oorzaak bij de vrouw gevonden wordt en eveneens in 30% bij de man. In weer 30% bestaat er een combinatie van afwijkingen bij beide partners, terwijl bij ongeveer 10% van de paren geen afwijkingen gevonden worden die de bestaande verminderde vruchtbaarheid zouden kunnen verklaren.
- De leeftijd van de vrouw is een van de belangrijkste voorspellers van de vruchtbaarheid. Hoewel veel vrouwen zwanger raken na hun dertigste, is een vrouw van midden twintig het meest vruchtbaar. De vruchtbaarheid vermindert tot ze de leeftijd van 30 jaar bereikt en neemt daarna snel af naarmate ze midden dertig en achter in de dertig wordt. De meest algemene vrouwelijke vruchtbaarheidsprobleem is een probleem met de eisprong (ovulatie).
- De kans om zwanger te raken bij een vrouw van 35 jaar is ongeveer de helft van de kans van een vrouw van 20 jaar, terwijl deze kans bij een vrouw van 40 jaar terugloopt tot 10%.
- Een vrouw van 37 jaar heeft ongeveer 25% kans op een vruchtbaarheidsprobleem; een vrouw van 41 jaar 50% en een vrouw van 43 jaar heeft 75% kans op vruchtbaarheidsstoornissen.
- Bij mannen vermindert de vruchtbaarheid langzaam tot rond het veertigste levensjaar en begint daarna sneller af te nemen. De meest algemene redenen voor mannelijke onvruchtbaarheid zijn afwijkingen in het aantal, de beweeglijkheid en/of de vorm van de zaadcellen.
naar boven
onvruchtbaarheid vandaag
- Tot de procedures voor geassisteerde voortplantingstechnologieën (Assisted Reproductive Technologies – ART) behoren onder meer in-vitrofertilisatie (IVF) en soortgelijke procedures.
- Hoewel uiterst essentieel voor sommige patiënten bij wie conventionele therapieën geen succes hebben, vormen ART-procedures nog steeds minder dan 5% van de onvruchtbaarheidsbehandelingen en vertegenwoordigen ze slechts een klein deel van de gezondheidskosten in Nederland.
naar boven
de huidige behandelingsmogelijkheden
De behandeling hangt af van de gevonden oorzaak van de verminderde vruchtbaarheid en daarnaast zijn er zijn verschillende opties. Onderscheid kan worden gemaakt tussen groepen behandelingen:
- Bij een natuurlijke (medicamenteuze) behandeling kan volstaan worden met het gebruik van medicatie (bijvoorbeeld ovulatie-inductie).
- Bij natuurlijk (medicamenteus) geassisteerde behandelingen wordt het gebruik van medicijnen gecombineerd met een vruchtbaarheidsbevorderende behandeling (zoals IUI).
- Bij (medicamenteus) geassisteerde voortplanting wordt het gebruik van medicijnen gecombineerd met een van de ART technieken waarbij “reageerbuis” bevruchting plaatsvindt (IVF of ICSI).
- In sommige gevallen kan operatief ingrijpen nodig zijn om betere voorwaarden te scheppen voor een eventuele zwangerschap. Vaak is daarna toch ook nog een van bovenstaande behandelingen nodig.
- Een van de recentere mogelijkheiden die beschikbaar zijn gekomen voor sommige paren, in het bijzonder als er sprake is van mannelijke onvruchtbaarheid, is een techniek genaamd intracytoplastische sperma injectie (Intracytoplasmic Sperm Injection – ICSI). In plaats van “gewoon” eicellen en sperma in een laboratoriumschaaltje samen te brengen voor standaard IVF, wordt bij deze voortplantingstechniek een enkele zaadcel genomen en rechtstreeks in de eicel geïnjecteerd. Het gebruik van ICSI heeft de bevruchtingsscore spectaculair verbeterd wanneer sprake was van te weinig of te weinig beweeglijk sperma of een slechte spermafunctie. Deze methode werd voor het eerst beschreven in 1992.
- Ondertussen is 1 op de 60 kinderen in Nederland geboren door middel van IVF of ICSI.
- Als er sprake is van het totaal ontbreken van zaadcellen in het semen (azoöspermie) op basis van een blokkade van de afvoerwegen, dan kan geprobeerd worden om bijvoorbeeld zaadcellen rechtstreeks uit de bijbal te verkrijgen. Dit gebeurt via een punctie (met een naald opzuigen van materiaal). De verkregen zaadcellen kunnen dan gebruikt worden voor een gebruikelijke ICSI procedure. Deze techniek staat bekend als PESA – ICSI, en mag in Nederland alleen in onderzoeksverband worden uitgevoerd, (vanwege de nog onbekende gevolgen voor het nageslacht).
naar boven