het vrouwelijk lichaamInzicht in het voortplantingsproces maakt duidelijk dat er talloze plaatsen zijn waar het systeem mogelijk niet correct functioneert, wat dan resulteert in onvruchtbaarheid. Het vrouwelijke voortplantingssysteem bestaat uit drie hoofdonderdelen:
![]() eierstokkenDe eierstokken zijn kleine, ovaalvormige organen die zich net onder de eileiders bevinden aan weerszijden van de baarmoeder. De eileiders bevatten ongeveer een half miljoen onrijpe eicellen; alle eicellen die een vrouw ooit zal hebben, worden geproduceerd terwijl ze nog een foetus is. Slechts een fractie van deze eicellen zal zich tijdens haar leven ooit ontwikkelen tot rijpe eicellen. Na de puberteit zullen vele eicellen elke maand het ontwikkelingsproces beginnen, hoewel er die maand gewoonlijk slechts een wordt afgescheiden of geovuleerd. Nadat de eisprong heeft plaatsgevonden wordt de eicel opgenomen door de eileiders. eileiders (tubae)Hoewel de eileider een eenvoudig orgaan lijkt, is het in werkelijkheid vrij complex. In de eileider vindt de bevruchting plaats. De eileiders zijn voorzien van waaiervormige uiteinden, de zogeheten fimbria, die langs de eierstok vegen en de geovuleerde eicel meenemen. De eileider, die bij het open uiteinde in de buurt van de eierstok een omvang heeft van bijna 1¾ centimeter, vernauwt zich in de buurt van de baarmoeder tot de dikte van een potloodpunt. Het uiteinde dat het dichtst in de buurt ligt van de eierstok trekt zich samen om de eicel naar beneden te duwen naar de plaats van de bevruchting, terwijl het uiteinde dat het dichtst in de buurt ligt van de baarmoeder zich naar boven samentrekt om het zaad op weg te helpen naar de plaats van de bevruchting. Tijdens het hele bevruchtingsproces onderhouden de eileiders de vrouwelijke eicel en het mannelijke zaad. Het kan enkele dagen duren voordat de eicel en het daarna bevruchte embryo de gehele lengte van de eileider hebben afgelegd. De eileiders hebben de volgende taken:
baarmoeder (uterus)De baarmoeder is een hol, peervormige orgaan, laag in het midden van het vrouwelijk bekken. Na een ovulatie groeit de bekleding van de baarmoeder in afwachting van de ontvangst van een bevrucht embryo uit de eileider. Het beschermt, ontwikkelt en voedt de foetus tot aan de geboorte. De officiële benaming voor de baarmoeder is de uterus. Als een vrouw niet zwanger is, wordt de bekleding van de baarmoeder afgestoten als ze haar menstruatiecyclus begint. baarmoederhals (cervix)De baarmoederhals (cervix) is de verbinding tussen de vagina en de baarmoeder. De baarmoederhals produceert slijmerige afscheidingen die tijdens de voortplantingscyclus veranderen. De hoeveelheid en samenstelling van deze afscheiding verandert gedurende de cyclus. Tijdens de vruchtbare periode van een vrouw is het baarmoederhalsslijm dun en waterig om de doorgang van het sperma naar de baarmoeder te vergemakkelijken. Het opmerken van een toename van waterige vaginale afscheiding halverwege de cyclus kan daarom een aanwijzing zijn voor een naderende eisprong. Na de ovulatie en/of tijdens zwangerschap is het cervixslijm dik om een barrière te vormen tegen vreemde stoffen en infecties. normale vrouwelijke voortplantingsfysiologieDe maandelijkse cyclus van de vrouw is een complex samenspel van verschillende organen en hormonen. Te beginnen op de eerste dag van de menstruatie (dag één van de cyclus van een vrouw), begint het lichaam steeds grotere hoeveelheden follikelstimulerend hormoon (Follicle-Stimulating Hormone - FSH) aan te maken en af te geven. Dit hormoon wordt geproduceerd door een klier onder aan de hersenen, ook wel hypofyse of pijnappelklier genoemd. De FSH zorgt ervoor dat de eiblaasjes (follikels) groeien en het vrouwelijk hormoon oestrogeen produceren. De eicel die zich ontwikkelt binnen de follikel begint op dat moment ook te rijpen. Slechts 1 eiblaasje zal onder normale omstandigheden tot ontwikkeling komen. Dit eiblaasje wordt de dominante folllikel genoemd. Tijdens de gemiddelde cyclus, op dag 14, geeft de hypofyse een hoeveelheid van weer een ander hormoon af, genaamd luteïniserend hormoon (Luteinizing Hormone - LH); dit wordt de LH-piek genoemd. LH stimuleert de uiteindelijke rijping van de eicel en start het ovulatieproces – de afgifte van een rijpe eicel door de follikel in de eierstok. Terwijl de eicel door de eileider beweegt, produceert de geovuleerde follikel niveaus van een ander hormoon, genaamd progesteron. Progesteron helpt de bekleding van de baarmoeder voor te bereiden op het weldra te bevruchten embryo. De eerste helft van de cyclus (waar de eiblaasjes gaan uitrijpen) wordt de folliculaire fase genoemd; na de ovulatie spreekt men over de luteale fase. ![]() Als er zaadcellen aanwezig zijn in de eileider, kan de eicel worden bevrucht en beweegt het resulterende embryo door de eileider naar de baarmoeder, waar het kan innestelen en hopelijk uitgroeit tot een baby. Ook als de eicel niet wordt bevrucht beweegt het naar de baarmoeder, maar kan niet innestelen en gaat ten gronde. Ongeveer twee weken na de ovulatie zendt de niet-zwangere baarmoeder dan een signaal naar de eierstok om de productie van progesteron te verminderen. Hierdoor wordt de bekleding van de baarmoeder afgestoten, wat zich uit in de menstruatie. De cyclus begint nu weer opnieuw met het laten uitrijpen van een nieuwe eicel voor de volgende maand. |
|
||
© 2010 Schering-Plough Corporation |
||